Ik ben geboren in Paramaribo en opgegroeid in Den Haag. Als lid van Te Werve in Rijswijk ging ik van het ene veld naar het andere, van de ene sportdiscipline naar de volgende. En als er niet getraind werd, stond ik op het schoolplein met mijn vrienden.
Niemand noemde dat toen talentontwikkeling. Het was gewoon bewegen, de hele dag, in steeds andere vormen. Maar coördinatie, timing en aanpassingsvermogen, de basis waar alles later op is gebouwd, kwamen daar vandaan.
In diezelfde periode kreeg ik training van Wiel Coerver, een tijdlang als mijn persoonlijke trainer, nog voordat ik bij Feyenoord terechtkwam. Dat besef ik nu pas ten volle. Op de leeftijd waarop de meeste jongens leren scoren, leerde ik hoe een beweging is opgebouwd. Coerver bracht techniek terug tot de kleinst denkbare bouwsteen en bouwde van daaruit weer op. Bewust, langzaam, correct, en pas dan sneller. Ik heb dat als kind meegekregen zonder te weten dat het uitzonderlijk was.
In 1986 kwam ik in de jeugdopleiding van Feyenoord, als spits. Het pad lag open.
Het been
Ik speelde in die tijd in drie competities tegelijk. Met mijn eigen team, met een leeftijdscategorie hoger, met het tweede elftal en met de beloften. Daar kwamen selectiewedstrijden bij, en trainingen met Feyenoord 1. Drie wedstrijden in één week was heel normaal.
Aan het eind van een wedstrijd kreeg ik last van mijn onderrug. De verklaring lag voor de hand: mijn rechterbeen stond als een X-been en was 2,5 centimeter korter dan mijn linker. Een aangeboren kwestie. Dat moest het zijn. Het been werd ingezaagd en rechtgezet. Daarna moest ik praktisch opnieuw leren lopen.
Met de kennis van nu denk ik daar anders over. Dat been had ik altijd al gehad. Wat er wél was veranderd, was mijn belasting: drie competities, een dubbele trainingsagenda, geen hersteltijd. Het was overbelasting. Alleen was belasting sturen in 1987 nog geen vak. Talent werd ingezet zolang het bleef doorlopen, en als het stukging zocht je de oorzaak in het lichaam in plaats van in het schema. Ik zeg dit niemand na. Ik zeg het omdat ik het zelf ben geweest.
Revalidatie was toen ook niet wat het nu is. Geen opbouwschema, geen belastingsturing, geen data. Je ging door tot je pijn had. Juist dáárdoor heb ik geleerd wat ik heb geleerd, want als niemand het voor je stuurt, moet je het zelf doen. Elke stap moest ik eerst dénken. Waarnemen, beslissen, uitvoeren. Pas daarna kwam de beweging. Klopte die volgorde niet, dan klopte de stap niet.
Het brein stuurt de beweging aan. De voeten voeren alleen maar uit.
Hans Kroon, inmiddels een van de best aangeschreven krachttrainers van het land, bouwde mijn lichaam in die periode vanaf de grond weer op. Techniek vanaf de kleinste bouwsteen, kracht vanaf nul, en daartussen een jongen die elke beweging bewust moest maken voordat hij hem kon doen. Dat is het fundament. Alles wat FBC vandaag is, komt daar vandaan.
En ik kwam terug. In het seizoen 1988/89 werd ik topscorer van de landelijke jeugdcompetitie én uitgeroepen tot beste speler van diezelfde competitie, gehuldigd op 6 september 1989 voorafgaand aan Nederland tegen Denemarken. In april 1989 speelde ik met Nederland onder 19 tegen Engeland, 1-1. In de voorbereiding op het seizoen daarna maakte ik als zeventienjarige de winnende treffer in de finale van het Rotterdam AD Toernooi, tegen FC Porto. Op 13 augustus 1989 debuteerde ik in het eerste elftal van Feyenoord, uit tegen FC Utrecht.
Op 16 mei 1991 ging het opnieuw mis. Een zware knieblessure, in Feyenoord 2 tegen AZ 2 op Varkenoord. Een voorgenomen verhuur aan Excelsior ging niet door. Er volgde een tweede lange revalidatie, met dit verschil dat ik deze keer wist wat me te doen stond en waarom het werkte. Ik heb daarna nog gespeeld, met stages bij Middlesbrough en Sheffield Wednesday en vanaf februari 1994 tien wedstrijden in de Eerste divisie voor FC Den Haag. Maar de loopbaan die er in 1989 in zat, is er niet gekomen.
Mijn kinderen brachten me terug
Wat daarna kwam, staat in geen enkele voetbalbiografie. En het hoort er wel bij. Ik heb nog jaren op amateurniveau gevoetbald en verschillende ondernemingen gehad. Ondernemen zit in me, dat is altijd zo geweest. Maar in geen van die bedrijven voelde ik me op mijn plek. Ik deed het goed genoeg. Het was alleen niet van mij. Dat duurde jaren. Ik wist niet wát ik miste, alleen dát ik iets miste.
Tot ik mijn kinderen kreeg en ze naar de training bracht. Ik stond langs de lijn en zag wat er gebeurde, en ik vond het niet goed. Niet uit arrogantie: ik zag dingen die ik als kind bij Coerver al had afgeleerd, en hier merkte niemand ze op. Op een gegeven moment nam ik de training over. Vanaf de eerste minuut was de passie terug. Zo eenvoudig was het.
Ik ging een jeugdteam trainen. Dat team ging het opvallend goed doen, en toen kwam de vraag die ik op dat moment niet als keerpunt herkende: of ik ook extra training wilde geven. Die vraag werd een tweede, en een derde. Wat als hobby begon, groeide uit tot iets wat structuur nodig had. Ik richtte Blackson Sports op, wat later BLS Sports zou heten. Daar kwam voor het eerst samen wat tot dan toe los van elkaar had bestaan: mijn ondernemerschap en mijn passie.
In die periode heb ik mijn trainersdiploma's gehaald. Niet omdat het moest, maar omdat ik wilde weten wat er al bekend was, en wat níét. Belangrijker nog waren twee mensen. Met Errol Esajas heb ik jarenlang samen getraind en gewerkt; daar heb ik geleerd wat bewegen werkelijk is, niet als voetbaltechniek maar als beweging op zichzelf. En ik raakte in gesprek met braincoach Sjaak van Ruyten, die me het een en ander bijbracht over breinactiviteit. Dat was het moment waarop mijn gevoel een naam kreeg: wat ik als zeventienjarige had aangevoeld, dat het brein de beweging aanstuurt, bleek een gebied waar serieus onderzoek naar gedaan wordt.
De vraag die niet losliet
Toen begon het echte werk. Ik zag elk seizoen ongeveer 80% van mijn leden aantoonbaar stappen maken. Geen enkele uitschieter, maar een consistent patroon, jaar na jaar. En ik wist niet hoe. Ik wist niet waarom.
Dat had ik kunnen laten voor wat het was. De meeste trainers doen dat: het werkt, dus doorgaan. Maar iets wat je niet kunt verklaren, kun je ook niet herhalen, niet verbeteren en niet overdragen. Dan ben jíj de methode, en dan houdt het op zodra jij ergens niet staat.
Dus ben ik gaan documenteren. Jaren achtereen. Wat ik deed, wat er gebeurde, bij welke speler, onder welke omstandigheid, en vooral wat er níét werkte. Ik keek naar wat er in het amateurvoetbal gebeurt en waarom talent daar zo vaak vastloopt. Ik werkte als spitsentrainer in het betaald voetbal en zag waar het op dat niveau op vastzit. En ik volgde spelers die vijf jaar of langer bij mij trainden en nu in de top spelen, lang genoeg om te weten dat het geen toeval was.
Alles wat ik had geleerd heb ik op mijn eigen manier bij elkaar gebracht: Coerver, Hans Kroon, mijn eigen revalidatie, Errol Esajas, Sjaak van Ruyten, en de periodisering van Raymond Verheijen. Dat is Football Brain Coaching geworden.